Onderwijs stond vorige week opnieuw centraal aan De Tafel van Gert. Minister van Onderwijs Zuhal Demir ging er in gesprek met leerkrachten, onderwijsdeskundigen en andere tafelgasten over de uitdagingen van ons onderwijs. Aanleiding was een bevraging bij 2.000 leerkrachten. Er werd gesproken over kennis, discipline, ouders, taal, leerprestaties en de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep. Allemaal belangrijke thema’s.
Maar als uitgever van PURE CHILD bleef ik met één fundamentele vraag zitten:
Waarom vroeg niemand: wat is er veranderd aan het kind dat vandaag in onze klas zit?
Het kind van vandaag is niet hetzelfde als dertig jaar geleden
Kinderen groeien vandaag op in een andere wereld. Ze krijgen te maken met digitale prikkels, een enorme informatiestroom, veranderende gezinsstructuren, prestatiedruk, maatschappelijke onzekerheid en een veel complexere sociale omgeving.
Daarbij zien we meer aandacht voor neurodiversiteit en herkennen we beter kinderen met bijvoorbeeld ADHD, autisme, dyslexie of hoogbegaafdheid. Dat betekent niet dat elk moeilijk gedrag een diagnose heeft. Wel zijn we ons steeds meer bewust van de grote verschillen tussen kinderbreinen.
En precies daar wringt het met een onderwijssysteem dat kinderen nog grotendeels organiseert volgens hun kalenderleeftijd.
Een zesjarig kind moet de minimale doelen kennen uit het vastgelegde curriculum. Een zeven jarige heeft weerom andere doelen en verwachtingen te bereiken enz.? Maar een kalender is geen brein. Twee kinderen van dezelfde leeftijd kunnen neurologisch, emotioneel, sociaal en cognitief sterk van elkaar verschillen. Het ene kind van vijf is klaar om letters te ontdekken. Het andere misschien pas op zevenjarige leeftijd. Het ene kind leest op jonge leeftijd vanzelf, terwijl een ander veel meer tijd nodig heeft. Waarom maken we van dat verschil zo vaak een probleem?
De ontwikkeling van een kind laat zich niet in een jaarklas vangen
We zouden kinderen meer mogen bekijken vanuit hun ontwikkelingsniveau in plaats van uitsluitend vanuit hun leeftijd. Dat betekent niet dat we doelen moeten afschaffen of kinderen zomaar moeten laten doen waar ze zin in hebben. Kinderen hebben structuur, grenzen, kennis en uitdaging nodig. Maar misschien moeten we anders omgaan met de weg naar die doelen. Het doel kan hetzelfde zijn. De weg ernaartoe hoeft dat niet te zijn.
Wanneer een kind ontwikkelingsmatig klaar is voor een bepaalde vaardigheid en intrinsiek gemotiveerd raakt, kan leren soms bijna vanzelf lijken. Het gaat vragen stellen, experimenteren, fouten maken en opnieuw proberen. Dat betekent niet dat leren altijd moeiteloos moet zijn. Wel dat we ons moeten afvragen:
Hoeveel leerproblemen creëren we doordat we kinderen op een moment iets willen leren waar hun eigen breinontwikkeling nog onvoldoende klaar voor is?
Eerste levensjaren spelen een grote rol
Hier ligt misschien wel de grootste blinde vlek in het debat. Een kind komt niet als een onbeschreven blad de school binnen. Het neemt zijn eerste levensjaren mee: hechting, taal, ervaringen, stress, temperament, nieuwsgierigheid en zijn gevoel van veiligheid. Onderzoek naar de vroege ontwikkeling van het brein benadrukt hoe belangrijk stabiele, responsieve relaties met volwassenen zijn. Eenvoudige interacties — een baby die kijkt en een volwassene die reageert, een kind dat geluid maakt en iemand die antwoordt — dragen bij aan de ontwikkeling van taal, sociale vaardigheden en hersencircuits. Dat brengt ons bij een ongemakkelijke vraag.
Veel baby’s gaan vandaag al op zeer jonge leeftijd naar de kinderopvang. Voor veel gezinnen is dat noodzakelijk. Ouders moeten werken en hebben niet altijd een echte keuze. Maar een belangrijkere vraag is:
Hoe zorgen we ervoor dat jonge kinderen, ook wanneer ze door meerdere volwassenen worden opgevangen, voldoende continuïteit, voorspelbaarheid, responsiviteit en emotionele veiligheid ervaren?
En waarom behandelen we kinderopvang en gezinsbeleid niet veel meer als een onderdeel van ons onderwijsbeleid? Waarom krijgen ouders de kans niet op het eerste levensjaar part-time te kunnen werken. Zodat de natuurlijke band met de ouder kan ontstaan in het thuismilieu wat zorgt voor een goede en natuurlijke hechting en gevoel van veilig zijn. Bovendien zorgt dit voor veel minder stress en overprikkeling. Het kleine kind vraagt rust, aandacht en liefde.
Waarom kijken we niet meer naar het Noorden?
En hier ontbrak voor mij een tweede essentiële vraag aan de tafel van Gert:
Waarom kijken we niet veel grondiger naar de Scandinavische landen?
Niet omdat Finland, Zweden, Noorwegen of Denemarken perfecte onderwijsparadijzen zijn. Maar omdat ze ons kunnen inspireren om anders naar de hele leefomgeving van het kind te kijken. In verschillende Scandinavische landen zijn gezinsbeleid, kinderopvang en onderwijs sterker met elkaar verbonden. Er wordt relatief veel geïnvesteerd in ouderschapsverlof en ondersteuning van jonge gezinnen. De eerste levensjaren worden niet uitsluitend beschouwd als een privéaangelegenheid van de ouders, maar ook als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat is een fundamentele keuze. Want als we weten hoe belangrijk de eerste levensjaren zijn voor de ontwikkeling van het kind, waarom hier niet investeren als preventie.
Wat Finland ons kan leren
Finland wordt vaak voorgesteld als hét onderwijsvoorbeeld. Ook dat beeld verdient nuance. De Finse resultaten zijn niet altijd meer zo uitzonderlijk als vroeger en ook Finland kent onderwijsuitdagingen. Toch is daar nog steeds bijna geen sprake van schooluitval zowel niet bij de kinderen, als bij de leraren. Traditioneel is er veel aandacht voor de totale ontwikkeling en het welzijn in de vroege kinderjaren, voor spel en voor de professionele autonomie van leerkrachten. Ook leren zij verschillende handvaardigheids technieken en leren zij veel buiten in de natuur. Het formele schoolse leren wordt minder sterk benaderd vanuit de gedachte dat jonge kinderen zo vroeg mogelijk zoveel mogelijk leerstof moeten verwerken. En misschien zit daar een belangrijke les in: Een vierjarige hoeft geen kleine zesjarige te zijn.
Kinderen moeten spelen, bewegen, in de natuur zijn, ontdekken, verhalen vertellen, bouwen, tekenen en vragen stellen. Dat is geen verloren leertijd. Via het vrij spelen leren kinderen vanzelf zoveel.
Kinderen opnieuw met elkaar laten concurreren?
Tijdens het onderwijsdebat werd ook gesproken over meer competitie. Wie heeft de meeste punten en is de beste van de klas? ‘Echt?‘ Ik kon mijn oren niet geloven. Wordt het niet stilaan tijd dat we beseffen dat we elkaar met onze unieke talenten nodig hebben. Dat niet iedereen een wiskunde – of taalknobbel moet zijn om advocaat, dokter of diplomaat te worden? Dat we ook mensen nodig hebben die goed zijn in techniek, om voeding aan te planten, die graag de natuur verzorgen, die bakker willen worden, electricien, schilder, fietsenmaker, metser of kunstenaar of wat dan ook? We hebben elkaar in deze maatschappij nodig om goed te kunnen leven, geen concurrenten.
Competitie kan in bepaalde omstandigheden motiveren. Maar voortdurende sociale vergelijking kan bij sommige kinderen ook stress, angst en onzekerheid versterken. De American Psychological Association adviseert onder meer om individuele vooruitgang en inspanning te benadrukken en sociale vergelijkingen zoveel mogelijk te beperken.
Dus laten we kinderen vooral uitdagen. Maar laat de belangrijkste competitie die met zichzelf zijn: ‘Kan ik vandaag iets wat ik gisteren nog niet kon?’ Niet: ‘Ben ik beter dan jij?’ Een kind dat jarenlang ervaart dat het “de slechtste” van de klas is, draagt dat oordeel heel zijn leven mee, in alles wat het doet.
Van standaardkind naar uniek kind
Misschien kunnen we daarom stoppen met het idee dat goed onderwijs betekent dat ieder kind op hetzelfde moment hetzelfde moet kunnen. Een kind kan cognitief ver vooruit zijn, maar emotioneel nog veel jonger. Een ander kan sociaal sterk zijn, maar meer tijd nodig hebben voor taal of rekenen. Een derde heeft misschien juist behoefte aan beweging, creativiteit of een andere manier van leren.
Dat maakt kinderen niet beter of slechter. Het maakt hen uniek.
Een toekomstgericht onderwijs zou daarom niet alleen moeten vragen: Welke doelen moet dit kind behalen? Maar: Waar staat dit kind vandaag? Wat heeft het nodig? Waar liggen zijn talenten? Wat vertelt zijn gedrag ons? Hoe kunnen we zijn nieuwsgierigheid wakker maken? Kortom:
“Wie is het kind van vandaag, wat zijn hun talenten en interesses en wat heeft dit kind nodig om zich als volledig mens te ontwikkelen?”
Tot slot:
Als we naar het onderwijs vandaag kijken moeten we veel verder kijken dan de schoolpoort.
Naar ouders, hoe staan zij in het leven? Welke hulp of ondersteuning kunnen zij gebruiken. Naar de eerste levensjaren,, Naar hoever het kinder brein reeds ontwikkelend is, naar de neurodiversiteit, naar de maatschappelijke druk, naar de rol van de leerkracht. En een kind ontwikkelt zich niet alleen in een klaslokaal. Een kind ontwikkelt zich in een hele leefomgeving, waarbij ook de natuur een grote rol speelt.
En misschien begint een werkelijk nieuw onderwijs daarom niet bij een nieuw leerplan en doelen. Maar vooral bij een nieuwe visie op het kind.
Magdalena Troch